De hé, de hóo
o

Teken dat inleidt

teken dat afsluit.

Waar het iets afsluit,

vertelt wat er straks komt.

waar het zich voor iets zet

ook stop zegt en einde is.
o

Vorm, die er niet zo maar is, nee, nee

maar die zich maken moet

er tussen springt en zich er tussen weeft.

Teken dat middel, teken dat doortocht is

waar iets uit weg schiet

en waar iets naar toe schiet

of waar iets doorheen schiet.

Van links naar rechts toe

van recht naar links toe.

Nooit is het zelf het één of het ander

zijn taak is het zonder expressie te zijn

nooit onder de indruk te komen

strak en onkreukbaar te zijn.

zijn taak is het er voor

er achter

er na te komen

paal te zetten, perk te stellen

orde te maken, rang te schikken

de bank en de balie te zijn.

Te scheiden, te binden

omtrek te maken

hé hó te zeggen.

Zijn taak is het

de over de sluiten

de aan, de uit

de stop, ga door

de drager, de brenger

het toestel, de houder

het voertuig der zinnen te zijn.
o

De één geeft dak aan het teken dat licht spreidt

de ander is anker voor het teken dat licht vangt

en zoals zij doen, zo is hun teken

zo zien zij er uit.
o

hé, hó!
o

ah, oh!