<


1961-68 Studie Groningen Bewijzen
o

Zonder het te beseffen maakte ik in die periode een veranderend paradigma mee. Ik leerde bijvoorbeeld met ponskaarten omgaan om van een apparaat te vernemen dat Corneille het woord 'coeur' zoveel maal had gebruikt en Racine slechts zoveel! Dat vermoedde je natuurlijk al, maar de onthoudkracht van de computer hielp een handje.

Ik merkte de rücksichtloze vereenvoudiging van het analytisch procédé op en de afdoende bewijsvoering wat betreft de inhoudelijk prioriteiten van de twee auteurs.

De schraalheidd van het analyse-instrument en de rijkdom van de kunstwerken stonden in pikant contrast.
o

In de beeldende kunst hoef je natuurlijk niet zoals in de wetenschap iets te bewijzen. Toch probeer je voor je zelf zekerheden te creëren. Zo giste ik in de jaren tachtig tot en met jaren negentig dat de laatste drie elementen uit de reeks van Euclides een soort functies van de waarneming waren en te maken hadden met de manier waarop het beeld zich ontwikkelt. Misschien waren ze een soort sleutels voor onze manieren van kijken.

Maar toen ik later eind jaren negentig las dat Zeno de Stoîcijn in dezelfde periode leefde als Euclides namelijk in het Hellenistische tijdperk en dat Zeno over waarnemen én tekens schreef, gaf me dat een steuntje in de rug. Het was wel flink wat eeuwen geleden dat-ie dat schreef.

Het was in mijn beleving toch een bewijs dat ik er niet ver naast kon zitten. Euclides en Zeno waren tijdgenoten! Het tijdperk verbond hen. Het was een 'toen ook al' indirect bewijs.
o

Maar het was me ook duidelijk dat die euclides figuren 2000 jaar geleden waren geproduceerd, en dat ze er nu anders uit moeten uitzien. De figuren zoals ze waren gebruiken zou een vergissing zijn. De tijd moet ook meespelen.
o