<


1961-68 Studie Groningen       Een vergelijking
o

Tijdens mijn studietijd merkte ik al gauw dat ik een onhandig spreker was. Daarom juist was ik nieuwsgierig hoe het spreken precies in zijn werk ging.
o

Bij het vak fonetiek keek ik graag naar het plaatje van een doorsnede van mond en keelgat. Je zag en vervolgens hoorde je dat de stand van de tong tegen het verhemelte anders klinkende consonanten voortbracht dan de stand van de tong tegen de tanden aan. De mondholte was een bewegelijke klankkast. De "tongue-body" de tong massa bood allerlei weerstanden, moduleerde luchtstroom en stembanden en verdeelde de klank kast in verschillende ruimtes. De mond zelf kon open of dicht zijn, met onmiddelijk gevolg voor de uitspraak: die open mond gaf de klinker a. De mond tot een klein rondje gevormd gaf de klinker o..

Aan de uitstoot van lucht of adem en aan de mate van kracht ervan werd in dat boekje nauwelijks aandacht besteed, dat was voor een boek voor gevorderden. De 'aanblazing' gaf allerlei uitspraakresultaten..
o

Weer later bij het bij bijvak linguistiek (je kreeg dat maar 3 maanden) bleek dat die o en a klank een tegengesteld paar vormden die woorden, die verder gelijk waren, automatisch hun verschil in betekenis gaven.
o

Als luchtstroom met behulp van weerstanden in staat was woorden te vormen die ten opzichte van elkaar van betekenis verschilden, waarom zou elektrische lichtstroom op het kruisingsvlak met behulp van de weerstanden van de verschillende kleuren niet in staat zijn beelden voort te brengen die door vorm alleen ten opzichte van elkaar 'betekenden'? Zo redeneerde ik later toen ik al zoekend schilderde.
o

Het ging om een vergelijking en die was niet zo bizar als ik eerst zelf dacht: bij beide delen van mijn vergelijking werd uitgegaan van energiebronnen, die zich elk op eigen wijze moduleerden.