|
Vaak ging ik het pad op naar de dijk, waarachter toen de kwelders lagen.
Bijna tegen de dijk aan lag het arbeidershuisje. Daar woonde de vaste arbeider Kees met wie ik tijdens zijn werk op de boerderij lange gesprekken voerde.
Eens kwam ik langs en werd volkomen verrast door een tafereel. Achter het raam zat de vrouw van Kees. Ze zat daar, glimlachte en hield een baby in haar armen, die aangelegd was aan haar borst.
Voor mij elf jarige was het een wonder. Het gaf mij een schokje. Er was die dubbele vorm, Er was dat raam, dat zorgde voor stilte. Een tafereel zonder oorzaak, dat er zomaar was.
Er was een soort onbevlekte ontvangenis van mijn kant. Ik wist niet van causaal verband (Jozef), noch had ik kennis van enige biologie, van hoe ik zelf op de wereld was gekomen. Ik herinnerde me het wonder van het tafereel pas volledig, toen ik, al oud, op een satellietkaart las dat het huisje op een terp lag. Ja, ik moest eerst een stukje klimmen voordat ik bij hen was. Die opname van de satelliet droeg bij aan het feitelijke van de herinnering. Maar ook aan het gevoel een wonder te hebben gezien.
Dankzij de satellietfoto kon ik het pad zien waarop ik vroeger naar de kwelders heen en naar de boerderij terug liep en dat onzichtbaar was gemaakt bedekt met aarde omdat het voor het vernieuwde boerenbedrijf niet meer van belang was.
|