<



Equivalente structuren

Het productie veld dat bij het braille apparaat hoort en het productie veld in de mondholte

Wat? Equivalente structuren? Dat kan helemaal niet. De één, een apparaat ontworpen door een Fransman, een metalen lei met gaatjes er in dat zichtbaar is en los van het lichaam vergelijken met onze mond en mondholtes? Integraal deel van ons en vleselijk? Een grap. Wat hebben ze gemeen?

Ze hebben een logica van onderscheid gemeen.

Bij het Braille apparaat gaat het niet allereerst om een digitale code en het 'lezen' ervan. Het gaat in de eerste plaats om het produceren van een veld dat dat voelen van hoogte verschillen met de vingers mogelijk maakt.

Bij de mond gaat het niet allereerst om klanken die een ander meteen al kan horen maar om het produceren van een veld dat het horen van klank voorbereidt.

Er moeten eerst wegen aangelegd, tunnels gegraven, over het weer gepraat en goede dag gezegd.

Je wist al al dat Jacobson de eigenschappen van klanken zodanig had opgedeeld dat ze in het digitale systeem passen. Discrete systemen lijken op elkaar ondanks al hun verschillen. ook al zijn ze 6 bits, 8 bits of .
[picture]

uit A. Neijt DBNL Universele fonologie.

Waar was dat fabriekje die werkplek die ik in het Braille apparaat ondekt had, waar met materiaal en prikpen een veld klaar gemaakt werd?

Op zoek met het sterke vermoeden dat er een zelfde werkplaats was als het om spraak ging, raadpleegde ik AI. Het wist meer dan ik. Het apparaat informeerde me. ik begreep dat de latere Jakobson met zijn collega's hun orientatie verlegd hadden. Geen structuur analyses meer zoals eerst maar akoestisch onderzoek. Delen van de mond - nu fysieke gereedschappen - mond, lippen, tong, kaak gingen in interactie met de luchtstroom van de ademhaling. Met de energie voorziening.

Geloof maar dat er veel taalwetenschappers en geluidslaboratoria nodig geweest zijn, om te weten te komen wat er aan de hand was.



Waarom ben ik zo bezig met Jakobson? Hij theoretiseerde over de spraak van het kind. Hoe het zich ontwikkelt en van gebrabbel hoorbare klank maakt. Die mond met die drie mondholtes (spelonken) bereidt niet alleen voor op het spreken of verstaanbare klank uitstoten maar ook op 'eten', het tot zich nemen. Het is een eerste drift en gaat gepaard met veel baby gekrijs. Het kleine ding neemt op en poept uit. Zijn dierbare onschuld redt hem.

Eerst komt er allerlei geluid en gebrabbel nog voor dat het kan spreken. Dan wordt er 'beeld' geprojecteerd op zijn visuele cortex. Tussen sabbelen, brabbelen en spreken springt het 'kijken' er in. Beeldvorming. Boezem, sinus, golfbewegingen, uitsteeksels. Daarna pas het gezicht van de moeder.



Er is nog iets. In je studietijd lees je veel. Soms onthoud je een zin. Zoals deze: "In die éne oogopslag hielden alle andere zintuigen zich schuil". Misschien wel van Proust. De blik en het oogzintuig leer je kennen door wat het verborgen houdt. Door de zintuigen die zich schuilhouden. Het is meer dan alleen maar een poëtische zin.

Het oogzintuig kent meer begoochelingen, meer illusies dan alle andere zintuigen bij elkaar.